Nieuwe Kathedraal van de Erotische Ellende

Icon

NL afval van Kathedraalauteur dirk vekemans – bezoekt de Kathedraal op http://www.vilt.net/nkdee

[Esther]

[Esther]

Geugle is een EgoLoôg

van Flip Diko’on Li (SFE, CgO & BrT)


[fragmenten uit de Eertijdse Proloog, verregend erregens
tussen dimensie #7 & 9, capiche? allez, beuvez donc
un bon coup sans eaue!]

* *
*

tweede, geannoteerde verzinking,
ter wordpress gestesseld door dv
op de docsbank van het EgoLog

http://docs.google.com/Doc?id=dgv27bzq_68f4r4sr

*
* *

βλὰξ ἄνθρωπος ἐπὶ παντὶ λόγῳ ἐπτοῆσθαι φιλεῖ.

* *

*

Het EgoLog, geheiligd zij haar witglinsterende Tekstgleuf,
looft in zoekuitspatsels 3 t.e.m 1987265 diakritisch

voor de van zinsels beroofde gedateerden aldus:

Iets ging er deze planeet rond tegen net niet de snelheid van het licht, maar informatie was het zeker niet.

RapportageSluis Esther D. Fournissa bestond dan wel voor 73% uit Vloteinse Prima Materia, ze had als Poortwicht zoals iedereen in de Lloke-kweek bij haar vissing een hardcodig aansluitsel in het oor geschoten gekregen. Geen bit zou haar ontgaan: de zwarte lijntjes van het dradenwerk hadden zich sindsdien immers op geruststellend zichtbare wijze met de aders op haar onderarmen verstrengeld, een uitstekende cultuur, zo wij immortelen daar al oordeelsrecht over hadden.

We bevinden het dan ook een verrukking om door haar te waden, haar orgasmes zinderen ons als eertijdse vetpotten van loutere interruptieverwekking in dit het Meedogenloos secce doorstromen van onze Woestenij.

Zelfs haar meest frivole bewustzijnstraject werkelt verkwikkend door de op zichzelf door- en doordachte opgewektheid die erin glinstert. RS Esther spelduidt dan ook niet de eerste de beste Egologge Poort in dit Boek. Zelfs bij een oppervlakkige scan verspiegelt haar Loop een myriade van duizenden naturen. Het is Tekstboek, maar we dienen toch te bevingernatten dat zij omstreeks haar 42ste cyclus tot de derde Inkeer doorvloeide, een Telkens-Zolang-Dat waarna het kleinste bitje info in haar innerlijk langs de uiterst gevoelloze geleiding in het Volstrekt Stroomloze van het Nihil doorgegeven werd. De verwachtingspotentiaal spant haar responsiviteit van bij de init tomeloos op. Het is evenwel van zin doorschoten, de rede stokt immers en verwordt tot leesbaar proza als de kruiper Esther zelfs maar raakt. Ze schonkschenkt ons gedurende haar e-oon een loepzuiver simulapoëimage van de algehele complicaties op planeet Vlotein, zodat we althans in dat mestastasem met 1 poort volstaan. Haar er was een ijl Eiland waarin het Er bij elke lezing trilde met menige andere dingen, & er zat niet het minste rek op.


Eender welke data die zelfs maar in wijzerzin fluctueerden:RS Esther zou het informatieve potentieel damwel zeker registreren, daar kon de meest bouwvallige klompijl niks aan versodemieteren, nada, ingetinge.

Maar onze potentiepulsdetectoren zwijgen. De kip, zij keelde niet. Er vlotten ook geen rapporten over activiteit van het On in deze constricten, dus een Lek was ook uitgesloten.

Iemand, onder nauwlettende supervisie van Ergens, herschrijft voor de 87ste keer de Loop. De term weze gezocht. Spaak lope het. Soms is het toch echt wel EgoLog-geklaagd dat we niet mogen hardcoden, maar we moeten nu eenmaal gehoorzaam de resultaten laten zinstuiken bij de Ene Snede, waar zij Luide klinkt: ‘den Al te tragen Humaan wil van het Ware al het Waren liever kwijt’.

  1. RapportageSluis
  2. Vloteinse Prima Materia
  3. Poortwicht
  4. Lloke-kweek
  5. cultuur
  6. immortelen


1. RapportageSluis: In het licht van het Uittijdse gestel kunnen sommige erg uitonderlijke individuele organismen de vorm aannemen van een Poort of RapportageSluis. De door hen Intijdse belevingen worden dan zichtbaar voor de Schouwers in het Uittijdse. Ja, ‘t is een beetje lastig in’t begin, maar het went vlug, hoor -Dv 08-06-07 08:19


2. Vloteinse Prima Materia: Water. Vlote’in is een planeet gelegen in het Ondeel van het Sterrenstelsel der Amauroten. De planeet is erg gelijkaardig aan onze Aardkloot maar dus van euh, Eertijdse Datum. De Eerste Materie van Vlote’in (het afkappingsteken duidt op een nasaal verdoken r-klank tussen de tweeklank, een vloteinse eigenaardigheid) is water, de rest van de planetaire materie is in Uittijds perspectief verwaarloosbaar gruis ofte nanopuin, wat niet wegneemt dat het in de ogen van de Vlote’ins het meest consitutieve bestanddeel van hun realiteit uitmaakt.

Verder moeten we opmerken dat ook Uittijders hoegenaamd geen vat hebben op Prima Materia, er bestaat niet zoiets als Eigen Nat Eerst, het Water is per definite ongedifferencieerde materie. Paradoxaal genoeg is er restmaterie (gruis, nanopuin) nodig om de Prima Materia informatief te differenciëren, c.q. in het Uittijdse te veruitwendigen.
Het gruis wordt door Uittijders ervaren als Afwezigheid, een Vage Leemte. De kunst van het Poortlinken bestaat erin de Intijdse Poorten op een geruisloze manier van een Ruisvormige hardlink te voorzien in de initcode. Hier wordt de Poort bv onderarms aangesloten gedacht, (verg. ook de versteende uitdrukking ‘het zit er bovenarms op’).

Bemerk dat Uittijdse code uiteraard door de Wet of het Verbod op Eerstegraadsrecursie efficiënt uit de intijdse realiteit wordt geweerd. Poorten kunnen wel tot Inkeer komen, maar hun uittijdse richtingen zijn noodzakelijkerwijs van de eigen init-code afgericht. Een Poort kan dus wel het voorrecht smaken van een naar het uittijdse neigend bewustzijn (naar het schijnt valt dat nogal licht metalig in de mond), aangezien ze zich daar enkel via Intijdse analogieën een beeld (simulapoeimage) van kan vormen is dat eigenlijk hetzelfde als naar een steekse mug slaan met een rolletje licht-erotische blogpagina’s: populair maar totaal naast de kwestie.


3. poortwicht Hoewel Poorten niet geslachtsgebonden zijn, zijn zij in hoge mate ongecorrumpeerd door de localiteiten (plaatselijk gruis, ingroei) & derhalve in de meeste gevallen uteraal van mannelijke post-evolutionaire kwalen gevrijwaard gebleven.


4. Lloke-kweek: de androiden op Vlote’in zijn geen zoogdieren. De voortplanting is een complex gegeven, het komt erop neer dat na een paringsritueel de eieren door de Vlote’invrouwen worden uitgezet in een daartoe met talloze misleidende bevalligheden uitgeruste Pondeau’s ofte kweekvijvers.
De Pondeau’s worden tijdens excessieve bachanalen door de mannen op hun beurt vol zaad geschoten waarna een groei- en bevruchtings-cyclus aanvangt die qua complexiteit haar gelijke niet kent in het Tijdelijke Universum.

Op de planeet bevinden zich negen Pondeau’s, 1 in het zenith van elke zon die haar stralen op de planeet werpt. De reflecties van de negen Pondeau’s convergeren op de enige Maan van Vlote’in, in feite een erg metaalhoudende reuzemeteoriet die dankzij de convergerende reflecties de vele zonnen van de planeet in helderheid toch vér overtreft. Dankzij de vele zonnen die zich op geruime afstand van de planeet bevinden, kent heel Vlote ‘in een egaal subtropisch klimaat zonder seizoenen, een beetje zoals hier na de calamiteiten van 2012, maar dan zonder de gifdampen.

De Megi Megi Megillac, de meest beknopte Pondeau-cyclusverklaring uit de Vloteinse Overlevering, de output van de verenigde telkracht van Vlote’in gedurende 15 eeuwen van onafgebroken afdrukken, is in digitale vorm een xWord-bestand van ongeveer 18,3 triljoen exabytes, voldoende discspace om ons planetenstelsel, inclusief de zon, op atomaire correcte schaal na te bouwen.

Het weze hierbij opgemerkt dat ook op Vlote’in er een tekstueel-memetische link bestaat tussen voortplanting en het visoniare, mystieke of religieuse. Zie daarvoor later het lemma ’seksuele kennis & voortplantingscommunicatie’ inz. de paragrafen rond het dichterschap in de Kathedraalse Velodroom van 2011. Zo wordt van één bepaald vers van de Vloteinse dichter Valis IJ. Fandewoester bv. gezegd dat het ‘de bevruchte data van alle negen Pondeau’s [...] bevat’:

De felpen violier vunst diep van donkre vieren

De Lloke is de meest Noordelijke van alle Pondeau’s gelegen in het midden van de Moerassen van Eshcol en staat bekend om haar blauw-diafane intellectueel-verfijnde, energieke dikkopjes bij de mannelijke steur en de tanige, gladhuidige en donkerogige schoonheden bij de naar kweek-transcendentie neigende vrouwtjes.

5. cultuur : in de biologische bet. – kweek

6. immortelen: of Uittijdigen. Het vertelstandpunt is in wezen dat van Ons in de Uittijd, maar derhalve ook wisselvallig daar een correcte weergave van Uittijdigheid binnen dit bestek uiteraard onmogelijk is. Zo wordt er in functie van de begrijpelijkheid wel ’s geswitcht van verteltijd, of gaat het standpunt via een halfslachtige stream of consciousness techniek over in dat van Esther of de Haren.

onderschikt in:Anke Veld, ESTHER

&

Een boom in dit huis, uit de vloer vorkt een stam, de daksponten kraken. Een oude handgehaakte sprei geurt muf op je benen, de thee is al lauw.Je hoorde een geluid, je dacht dat het de storm was buiten, maar daar wordt je het salon al uitgesleurd, een gezichtsloze vrouw sleurt je de kleren van het lijf, je wordt het bad ingeduwd. De scene verwildert. Wakker worden. Handen slaan, duwen, hakken. Oefening, oefening. Haar stem in je hoofd. Hoe lang is nog maar geleden? Twee dagen? Een week? Het heeft geen belang, er is toch geen tellen aan, nergens kan je in krassen, geen teken houdt stand in het smetteloze wit van deze ruimte & de groene balk op het werkvlak lijkt wel voor eeuwig stil te staan op net iets meer dan twee vijfde van de weg. Is er er wel voortgang, vooruitgang, vordering? Maakt het wat uit? Oefening. Opstaan. Je weet wat er van je wordt verlangd. Niet aarzelen: je ritst jezelf weg uit het gat in je droom, je holt naar de glasmuur, plakt je neus tegen het glas, kijkt naar de vlek van je adem op het glas die uitdeint, ogenblikkelijk krimpt & verdwijnt. De zware bromtoon van het hydraulisch systeem zet in.
Niet aarzelen, niet omkijken, niet denken. Met een hels gesis slokken de wanden het weinige meubilair op. Dat weet je, dat voel je, dat je zag je ook die ene keer dat je wel keek. Niet bewegen. Doe je niet wat je doen moet, dan krijg je een stroomstoot van hoge voltage door je naakte lichaam. Langzaam zetten de wanden zich in beweging, de balk wordt smaller & smaller, ook de muur met de deur komt op je af. Je adem gaat sneller, de wasem versnelt, je hartslag verdubbelt.

Nog niet. Je wordt niet verpletterd, een schrille fluittoon waarschuwt je, de druk wordt met de buitenlucht gelijkgesteld, je klemt je ellebogen tegen de zijwanden die je nu nog net een meter laten & daar schuift het glas weg, je wankelt in de felle kou die je plots overvalt want het is koudkoudkoud buiten & er staat een strakke wind waar je binnen niets van merken kon. Maar je wordt ook nu niet de afgrond ingeduwd, het is je zelfs toegestaan de maximale steun op te zoeken van het metertje grond dat je hebt, je mag knielen, je mag bibberend je neus over de rand van het platform steken, naar beneden turen, links, rechts, onder je, nee, ja, nee je bent niet alleen, want onder je, zo'n tien, twaalf meter lager zie je nog zo'n hoofd als een larve uit net zo'n platform als het jouwe wriemelen.

Ernaar schreeuwen helpt niet.

Elk geluid gaat verloren in de wind & je bent op je hoede want in de eerste weken (of was het later) was er één rakelings langs je heen naar beneden gestort, je had zijn gil gehoord 1 eeuwigheid lang toen het beeld van van een klapwiekend lichaam al een tel verdwenen was, maar zeker ben je niet want toen je het begreep was er beneden al niets meer te zien & wat maakt het ook uit of je nu zegt iemand sprong of iemand werd geduwd of ik droomde een val?

De wind giert & je kan 1, 2, 3 van je lotgenoten onderscheiden op twaalf meter afstand onderling, net zo ver tot ze samen versmelten in een strakke lijn die op zijn beurt in de witte leegte onder je verdwijnt. Springen is geen optie.

Het glas schuift terug, je metertje verbreedt zich weer, je hok deint uit tot alles weer uit de muren geklapt, glanzend & ordelijk, van huidschilfers & haartjes ontdaan perfect het oude is, naadloos nieuw & wit zoals het was, net als de vraag die weer opdoemt & het oude vertrouwde antwoord van haar stem in je hoofd. Springen is geen optie.

Hou van die stem. Mijn stem is een anker.

onderschikt in:ANNA, Anke Veld

&

Twijfels bij de zin van dit bestaan ? Onrust & angst, maar vooral : je wil de wereld begrijpen ? Neem een stoel, ga naar je tuin. Kies een plant uit, maakt niet uit welke. Zet je stoel voor de plant, neem plaats, kijk naar de plant. Denk aan niets anders dan aan wat je ziet. Neem waar die plant. Blijf kijken. Begrijp de wereld.Je staat als een blad te trillen van je bad, het kolkt in je kop & je tong spelt obstinaat de vier letters van haar naam. Anna’s mantra tot het hijgen stopt. Gelukkig ontvangt de zetel voor het wereldscherm je slappe lichaam met beide armen. Net als vroeger, net als morgen.

Wat je geeft, moet je eerst nemen. Als je het niet kan nemen, moet je het krijgen. Aan alles is gedacht. Er wordt voor je gezorgd. Je geeft kennis, dus moet je kennis krijgen. Staat de plant op het scherm voor je ernaar verlangde of heeft het verlangen de plant op het scherm gebracht ? Zwijg toch. Hou je bij het noodzakelijke : daarnet bestaat niet, seffens ook niet, enkel dit. Nu.

Dit: de plant op het scherm is een distel. De scherpe bladeren schroeven met vlijmende stekels de ranke stam vanuit een wazig gehouden weiland de blauwe hemel in. Purperen bloemknoppen wiegen dreigend in de wind.

Weiland, hemel, distel. Alles hetzelfde, keer op keer, je zat er al honderden uren naar te kijken, afgemat van je bad & je werk, maar telkens ook (je bént al die distel): iets nieuws dient zich aan, een lekkage, een zich uiterst langzaam uitbreidende zwarte vlek op het volledige niets van de kraakwitte muur in je brein & je voelt & je weet nog hoe je klom &je klimt de zwarte, rechte weg op richting gletsjer aan de horizon, het is ondraaglijk heet onder de zon, je voeten branden op de weg, & je ziet slechts stenen & gruis links van je, gruis & stenen rechts van je & achter je de eindeloze weg & in de verte de vage schittering van de gletsjer & je denkt als ik kan stappen zonder te ademen, beweeg ik misschien als de lucht over het pek van deze weg.

Maar de gletsjer rolt minachtend haar ijzige tong uit de mond van de berg & de weg kleeft als een bloedzuiger aan je voeten & meer nog, de hemel recht voor je – je ziet het meteen – begint zich plots als een hol gebogen spiegel te krommen in een punt, pal boven de gletsjer. Met een ijzingwekkende vaart komt het zwarte punt op je af, neemt de vorm aan van een wolk, geen donkere wolk maar een inktzwart rafelig kluwen van slierten dat op ooghoogte met bolbliksems op je afstormt. Op het ogenblik dat je weet dat je tot een hoopje verschroeit zal worden, dat alle lucht in je longen je lichaam is uitgezakt, dat de speer van de angst je door de onderrug aan de grond gespiest heeft, knapt er ergens iets hoorbaar met een droog krakje & zit je weer als een zak vlees voor het beeld van de distel in je kooi.

Urenlang, ononderbroken. Het beeld van die distel in je brein gegrifd. De wereld is de wereld is de wereld is het beeld van een distel in je brein gegrifd.

Trauma. Herstel. Trauma.

Je zit te pulken aan je navel, je denkt ik ben een gevangene & je bent een gevangene in een kerker diep in de buik van het oude Parijs, voorgoed aan het oog van de wereld onttrokken, onbereikbaar voor de stijve vingers van de geschiedenis, levend begraven. Geen straaltje licht bereikt je, je moet je regelmatig van je bestaan overtuigen, knijpt in je hand, je armen, je borst tot je in de wonde het geruststellende, warme vocht kan roeren. Tot je weer ontvankelijk wordt voor het grommen van de aarde, tot de aarde gromt. De beelden in je hoofd vlammen op, bolbliksems die je cel in lichterlaaie zetten, een vlammend kader wordt er opgericht, een bouwwerk van beelden voor de beelden met een bericht: je ziet je huis, je ziet het vervallen krot dat eens je huis was, enkel toeristen met nieuwsoortige camera's verwaardigen zich soms nog om door het raam naar de leegstand te gluren, een dikke vlieg ligt verdroogd & met stof op de vleugels op een vensterbank, je ziet een oud vrouwtje, haar broze geraamte in de gelige flarden van wat ooit een bruidsjurk was, je ziet weer je oude werkkamer, het oude vrouwtje hoort erin, ze knelt een roestbruin kussen op haar schoot en knijpt in een hardnekkig ritme, stopt & prevelt iets & knijpt.

Stop. Je zit te pulken aan je navel, je bent niet langer die gevangene.

Elke gedachte, elk verhaal is als het bloed in je aders, je zinnen volgen gedwee de weg van de minste weerstand, tot ook die dichtslibt.

Vervaging, ontplooing, vervlakking.

Distel. Tot het donker wordt, tot je speelt dat het donker wordt. Niets nog geeft licht in je balk dan dat groene prikkelding in je oog. Is er nog iets, achter je rug, achter de leuning van je wit-vilten stoel? Iemand? Een dreiging? Dit soort aanwezigheden ben je vergeten zoals een wolf in de zoo zijn roedel vergeet. Ook aan fantoompijn komt ooit een einde. Het is slapenstijd. Een solferkopje flitst onooglijk op het scherm. Brandt ook zo de zon op, uiteindelijk?
Volslagen duisternis, want licht is overbodig nu. Heb kennis van de weg naar je bed. Ontdoe je van kleren. Bestijg de slaapholte, zak in de slaapzak in het hol, doe de zak dicht in het hol.

Verdoving, verstilling, ontaarding.

Wie neemt er je mee? Waar naartoe? Is er nog ioemand? Doet het ertoe? Voel je huid, wrijf een hand op je huid, voel je nog de mogelijkheid?

Je droomt dat je wandelt & je wandelt door nauwelijks verlichtte straten, maar het is er veilig, want je draagt een hoge, glanzend zwarte hoed & er loopt een vrouw aan je arm in een zalmroze jurk, een zijden sjaaltje ligt als een huisdier te glijden tussen het scherp van haar schouderbladen en de weekste plek in haar hals. Je komt op een binnenplaats, bestijgt samen met andere mannen onder zwarte hoeden & slanke vrouwen in feestelijk gewaad de marmeren treden van het operahuis, boven je hoofd zie je nog net in de schittering van gouden letters een onleesbare spreuk onder het portret van de koning verdwijnen.

Even later geeft een kaalhoofdige man vooraan instructies, de dirigent dirigeert zijn honderdkoppig orkest. Het doek opent op een gigantisch leeg podium. Achteraan zie je al haar gedaante wazig bewegen in de langzame aanzet tot een dans, de belofte van dat lichaam, de nu al verblindende aanblik van die vrouw. De dirigent maakt brede gebaren, hij wil het gebouw tot in de kleinste uithoek vullen met de geraffineerde klanken van de muziek, wil van zijn cello's geen passie maar het oorverdovende brullen van een uitslaande brand, van de violen niet een zuchtend verlangen maar het onwereldse klateren van brekend kristal & van de hijgende koperblazers een exacte kopie van de hitsige kreetjes van zijn jeugdliefde.

Niemand ziet hem, niemand hoort iets.

Het gepeupel in de engelenbak niet, de notabelen op het balkon niet, de Secretaris met zijn maitresse in de koninklijke loge niet. Haar kleinste beweging maakt elke muziek overbodig. Hier & daar zie je dan ook al een muzikant zijn instrument wegleggen, het slagwerk heeft zich omgedraaid, de eerste violist & als 1 man mét hem alle strijkers, leggen de boog & de snaren & de dodende blik van de dirigent naast zich neer. De muziek sterft uit als het gepruttel van een kleuter die weet dat hij zijn zin toch niet meer gaat krijgen.

Haar naakte voeten op de podiumplanken, de rust van haar subliem gecontroleerde ademhaling: het publiek is als bevroren. Niet het minste kuchje in de zaal.

Transfiguratie, metamorfose, voleinding.

Haar lichaam is duidelijk, ze spreekt heldere taal. Na elke zin staat ze met gesloten ogen een eeuwigheid stil tot het laatste woord in al zijn betekenis is doorgedrongen. Sneller als een kogel gaat haar blik dan naar steeds hetzelfde punt in de zaal & hervat ze als een wervelwind dezelfde zin.

Kijkt ze naar jou? Uiteraard. Heeft ze een naam? Jazeker. Wie is dan die dansende vrouw?

Hou je mond. Blijf kijken. Doe je werk.

onderschikt in:ANNA, Anke Veld